|
|
|
||||||
|
Word wie je bent - donderdag 24 december 2009 Word wie je bent… In Johannes 1 vers 1 lezen we: En arch hn o logos, kai o logos hn pros ton qeon kai qeos hn o logos En arkhê ên ho
logos, kai ho logos ên pros ton theon, kai theos ên ho logos Deze Griekse brontekst is door de nieuwe Bijbelvertalers vertaald met de
woorden: “In het begin was het Woord, en
het Woord was bij God, en het Woord wàs God.” Deze aanhef heeft
een bijzondere betekenis als we de tekst bestuderen in de oorspronkelijke taal
waarin het geschreven is, het oude Grieks.: De sleutelwoorden
van deze zin in het Grieks, namelijk arkhê, logos en theos worden traditioneel vertaald door begin, woord en God.
Maar elke kenner van
het oude Grieks weet, dat er nog vele andere betekenissen zijn voor deze woorden. Of nog meer: dat de
hier gebruikte woorden in het Nederlands misschien wel doeltaalgericht zijn,
maar niet volledig brontekstgetrou Arkhê betekent vooral: het begin, de aanvang van iets
materieels (bijvoorbeeld het uiteinde van een touw). Maar arkhê kan ook betekenen: oorzaak,
uitgangspunt, principe, beginsel, leiderschap, ambt, overheid, rechtsgebied (zoals
rijk, provincie). Ook in
samenstellingen betekent dit woord: hoofd, belangrijkste (zoals te vinden is
in: aartsbisschop, aartsvijand,
aartsvader). Slechts in
overdrachtelijke zin wordt er dus het “begin”
in de tijd mee bedoeld. Ook het Latijnse woord
voor arkhê (participium) betekent
niet hoofdzakelijk het “begin”
(dit is veeleer initium), maar
eerder uitgangspunt, basis. En het Hebreeuwse
woord beresjiet, waarmee de
Bijbel in Genesis begint, betekent zowel begin
als principe (beginsel). Dan komen we bij het
tweede sleutelwoord: logos. Logos betekent onder meer: het lezen, het verzamelen,
het rekenen, getal, verhouding (bijvoorbeeld van de “Divini Proportia”, de
“Gulden Snede”), maar ook het denken, (vandaar: logisch), wetenschap (vandaar
theologie), het vertellen, een filosofisch dispuut,
onderhandeling, welbespraaktheid, boek(-deel), bewering, gebed, spreuk,
onderwerp. Het zelfstandig
naamwoord “woord” zit er in het
klassieke Grieks zelfs niet bij! Voor het taalkundig
begrip “woord” gebruikte men
immers eerder termen als epoV, onoma, muqoV, rhma (epos, onoma, muthos, rhêma). En dat geldt ook
voor het derde sleutelwoord: “theos”:
het betekent naast god ook: een
ingewijde, iemand die het Licht heeft gezien, de verlichte, in dezelfde zin als
waar men in het boeddhisme spreekt over de Boeddha. Verderop in het
Johannesevangelie zegt Jezus: “Staat
er in uw wet niet geschreven: Ik heb gezegd: U bent goden?” (Joh. 10,34) Bij deze uitspraak
refereerde Jezus aan Psalm 82 (verzen 5-6): “U toont geen
inzicht, geen begrip en doolt in duisternis rond, de aarde wankelt op haar
grondvesten. Ooit heb ik gezegd:
“U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal.” Dit is geen laster,
geen pretentie, evenmin een pantheïstische belijdenis. Het is meer de
bevestiging van de inwoning van het goddelijke in de mens: word wie je bent! De beroemde aanhef
van het Johannes-evangelie zou dus met even veel recht ook vertaald kunnen
worden als: Het principe van alles is de rechte verhouding
(of wel de Gulden Snede, het volmaakte inzicht). Dit klinkt heel
anders dan de traditionele postklassieke en middeleeuwse vertaling. Zo’n vertaling roept
een heel andere sfeer op. En zo’n sfeer past
wel bij het Johannesevangelie. Het is immers het
enige evangelie met een mystiek karakter. De drie andere evangeliën,
namelijk Mattheüs, Marcus en Lucas, lijken sterk op elkaar en zijn in relatieve
zin feitenverhalend. Het evangelie
volgens Johannes is daarentegen meer geïnteresseerd is in de onderliggende
betekenis. Vóór de liturgische
hervormingen van het Tweede Vaticaans Concilie las de priester in de Rooms-katholieke
Kerk de openingstekst van het Johannes-evangelie telkens voor na het einde van
de mis. De priester deed dit
in stilte, want deze esoterische boodschap was immers alleen bedoeld voor de
ingewijden, de priesters, en daarom niet voor het gewone volk. Het esoterische
karakter van het Johannesevangelie komt ook tot uitdrukking in het derde
hoofdstuk (vers 5) waar Jezus tegen Nikodemus zegt: “Waarachtig, ik
verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren
wordt uit water en geest.” In de Griekse
grondtekst, de taal van het Johannesevangelie, staat er pneuma (pneuma). Dat Griekse woord betekent
geest, maar ook en vooral adem, geblazen lucht. Water en lucht waren
al bij de Egyptische en Griekse inwijdingsgenootschappen twee universele
inwijdingselementen. Opvallend is dat in
vers 8 van datzelfde hoofdstuk het Griekse woord “pneuma” wel met wind is vertaald. Om die reden zou die
zin in het Johannes-evangelie ook als volgt vertaald kunnen worden: “Waarachtig, ik
verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij zo iemand herboren (ingewijd) wordt met water
en lucht.” Pas dan kan de verlichte zich in het Rijk van het Licht voegen. Veel
Bijbelvertalingen zeggen wel brontekstgetrouw en/of doeltaalgericht te zijn,
maar sluiten in hun vertaalkeuzes vaak aan bij traditionele opvattingen binnen
de christelijke traditie in het Westen. Daarom wordt het
begin van Johannesevangelie ook Christocentrisch opgevat. Maar bij het
vertalen van bronteksten worden niet-traditionele opvattingen als het ware vaak
wegvertaald. Een mogelijke mystieke
betekenis gaat dan verloren. De vertaalde aanhef
van het Evangelie volgens Johannes is daarvan een duidelijk voorbeeld. En dat is jammer. We zingen met Kerst
altijd: Hij kwam van alzo hoge, van alzo veer. Maar het goddelijke
moeten we niet buiten onszelf zoeken, maar in onszelf. Wij allen zijn
goden, zonen van de Allerhoogste. Dat Jezus van
Nazareth voor ons dé allerhoogste zoon van God is, of dat wij hem zien als dé
Christus, dé Messias, dé Verlichte, doet niets af van het beeld van God dat ook
wij zijn. De drie andere evangeliën
openen hun evangelie met een verwijzing naar de geschiedenis van het volk
Israel. Het
Johannesevangelie doet dat ook, maar gaat, letterlijk principieel naar het
begin, de genesis, de beresjiet, de oorsprong, het principe van alles. Het eerste gezegde
in het eerste boek van de Bijbel, de Genesis, gaat over het licht (3,1) Zonder licht is er
immers niets te zien en valt er ook niet te leven. Daarom was licht de
eerste schepping, het fundament van alles. Het Evangelie
volgens Johannes ziet dat licht belichaamd in Jezus van Nazareth. In Jezus als de
Verlichte heeft hij de beeldspraak “licht” en “leven” onophoudelijk
verwezenlijkt gezien. Daarom lezen we ook
in de loop van het Johannesevangelie dat Jezus zegt: “Ik ben het leven” (11,25;
14,6; 5,26); en ook: “Ik ben het licht van de wereld” (9,12; 9,5). Licht is
onontbeerlijk voor het leven. Daarom lezen we in
het Johannesevangelie dat het licht in de duisternis schijnt, en de duisternis
heeft het niet overmeesterd.” (1,5; 10,11). Net als op de eerste
dag van de schepping, toen de duisternis wijken moest voor het licht, is ook nu
het licht niet door de duisternis overmeesterd. Zoals steeds in het
Johannesevangelie is duisternis het niet willen
zien. In het
Johannesverhaal over de blindgeborene wordt geschilderd wat voor blindheid dit
is: geen zwarte vlek voor het fysieke oog, maar weigeren om te zien,
geblindeerd zijn, niet willen geloven. Maar die duisternis,
of beter gezegd: die verblinding, overweldigt het licht niet. Het
Johannesevangelie roept ons op ons bewust te zijn van het goddelijke in onszelf
en dat te willen zien. Met Kerst vieren we
dat in Jezus van Nazareth op een bijzondere wijze zichtbaar is geworden dat de
Eeuwige het goddelijke in de mens heeft gelegd. Dat is ook de
boodschap van de aanhef van het Johannesevangelie. Kerst is dus niet
alleen een viering van een kind in de kribbe, hoe nostalgisch ook. Kerst is een
geboorteviering die ook ons telkens bewust mag maken van onze goddelijke oorsprong. Dat wij allen zonen
en dochters zijn van de Allerhoogste. Jezus zei Nikodemus
dat hij opnieuw geboren moest worden. Geboorte betekent
immers: herkomst, wording, schepping, terug naar het eerste woord: “Licht”. Nikodemus was zich
dat niet meer bewust. Kerst is dus een
geboortefeest dat ons herinnert aan onze herkomst en ons daarvan bewust wil
maken. Die bewustwording
kan leiden tot verdere wording, zo mogelijk tot verlichting. Want wie verlicht is
verstaat de sleutelwoorden arkhê, logos en theos vanuit
hun perspectief en weet dat het licht niet te vernietigen is. Zo iemand is in
staat om het eeuwige duister om ons heen te verlichten, dat is: doorzichtig te
maken, het in een perspectief te plaatsen. Want hij of zij
doorziet de duisternis, het niet-weten. Dat wij ook zulke
mensen mogen zijn: zonen en dochters van de Allerhoogste waarin het Licht
belichaamd is. Dat wij mogen worden
wie we zijn. Dat wens en bid ik
ons allen toe. |
|
|||||