Prekenarchief
1e zondag van de Veertigdagentijd
- zondag 21 februari 2010

Eerste lezing: De Scheppingsdagen  uit Er staat een ploeg van ds. A.L. Broer

Tweede lezing: Johannes 2,1-11

 

Het goddelijke, in en buiten ons, dat een in alles en alles in een is

In het Lucasevangelie vindt het eerste openbare optreden van Jezus van Nazareth in zijn vaderstad plaats.

In het Johannesevangelie lezen we daarentegen, dat zijn eerste openbare optreden in Kana geschiedt.

Wie de evangelien naast elkaar zet ziet niet alleen de overeenkomsten, maar ook de verschillen.

Wat verder bij het lezen van de evangelien opvalt is, dat de auteurs geen levensbeschrijving van Jezus wilden geven.

Ze noemen wel allerlei gebeurtenissen uit Jezus' leven, maar toch waren zij geen geschiedschrijvers.

Hoe het leven van Jezus precies is verlopen, kunnen wij uit hun geschriften niet opmaken.

Wat weten wij eigenlijk van Jezus' jeugd, van zijn opvoeding, van zijn vrienden, zijn hobby's?

Een geschiedschrijver zou dat allemaal uitvoerig hebben beschreven.

De auteurs van de vier evangeliėn hadden echter iets belangrijkers te vertellen.

Het gaat hen daarbij vooral om de boodschap.

In de eerste drie evangelien duurt Jezus openbare werkzaamheid maar een jaar en er is slechts sprake van een paasfeest.

In het Johannesevangelie zijn er minstens drie paasfeesten en duurt Jezus' openbare werkzaamheid een jaar of drie.

In de eerste drie evangelien valt de 'tempelreiniging' in de laatste week van Jezus' leven, maar het Johannesevangelie plaatst de 'tempelreiniging' juist aan het begin van zijn optreden.

Bij nauwkeurige bestudering blijkt dan ook, dat de auteurs van de evangeliƫn hun verhaal met opzet zo hebben verteld.

Zij hadden namelijk met hun wijze van vertellen een bepaalde bedoeling.

En zij vonden dat de door hen gekozen vorm het meest geschikt was om de boodschap, waar het hun om te doen was, over te brengen.

Daarom kan het zelfs gebeuren, dat eenzelfde verhaal in twee niet gelijkluidende versies voorkomt.

Niet omdat een van de vertellers zich had vergist, maar omdat iedere verteller zijn eigen vorm koos waarin hij zijn boodschap aanbood.

Om die reden moeten wij bij het lezen van een Bijbelverhaal ons niet de vraag stellen of alles wel precies zo gebeurd is.

De Bijbel is immers niet een bibliotheek van beschrijvingen van mensen, toestanden of gebeurtenissen.

Voor een goed verstaan van een Bijbelverhaal kunnen we beter vragen: wat is de boodschap van de schrijver, en in relatie hiermee: wat heeft dit verhaal, zoals het hier staat, ons te zeggen?

Het verhaal in Johannes 2,1-11 gaat over de derde dag.

De derde dag heeft immers een bijzondere betekenis in de Bijbelse geschriften.

Op de derde dag ziet Abraham in de verte de plaats liggen waar hij op de proef gesteld zal worden (Genesis 22,4).

Op de derde dag zei Jozef tegen zijn broers in Egypte: "Als u in leven wilt blijven, doe dan wat ik ga zeggen (Genesis 42,17).

Op de derde dag zal de Eeuwige neerdalen op de Sinai om de Tien Woorden te openbaren (Exodus 19,16).

Op de derde dag zal Jezus de dood overwinnen.

En op de derde dag is er in het Johannesevangelie een bruiloft in Kana.

Maar waarom wordt aan de derde dag zo'n bijzondere betekenis toegekend?

Omdat de derde dag in Genesis 1 tweemaal 'tof' wordt genoemd.

Het is de dag dat de aarde haar gewas voortbrengt, dat de vijgenboom bloeit en de wijnstok vrucht draagt.
In de Joodsreligieuze traditie verbindt men namelijk het groene uitspruitsel van de derde dag met de wijnstok.

De wijnstok die in Deuteronomium als derde in de reeks van zeven vruchten van het land wordt opgevoerd (8,8).

Nog steeds is om die reden de dinsdag, als derde dag na sabbat, de geliefde dag voor bruiloften in Israƫl, want de derde dag is de dag der dagen.

In het scheppingsverhaal in Genesis gaat het op de derde dag van de schepping (1,9) nadrukkelijk om het water beneden: de samenvloeiing van de wateren (mikweh ha majiem) die zee genoemd wordt.

Het woord voor samenvloeiing is in de Joodsreligieuze traditie het woord voor het rituele reinigingsbad, het mikweh geworden.

In dat 'doopvont', waar volgens voorschrift 'levend water' (majiem chajjiem) in moet komen, van onderen bronwater en/of van boven hemel-/regenwater.

Het reinigingsgebruik schrijft de watervaten bij de ingang van het huis voor.

Zes vaten staan er.

Die worden in het Johannesverhaal niet voor niets met dat getal aangeduid.

In de context van het verhaal doet het getal zes ons immers denken aan de zes scheppingsdagen die door God 'vol' zijn gemaakt.

En Jezus maakt van de zes vaten water wijn.

Op het eerste gezicht een vreemd wonderverhaal.

Maar met het begrip 'wijn' is volgens de Joodsreligieuze traditie meer aan de hand.

Kijkend naar het Hebreeuwse woord voor wijn, 'jajien', met de drie letters j-j-n, ontdekken we al snel als bijzonder: de twee jods.

Net zoals er in het woord 'chajjiem', dat 'leven' betekent, twee jods voorkomen.

Geen wonder dat dit de gedachten prikkelde.

Sommige schriftgeleerden spraken dan ook van de aanwezigheid van het goddelijke, in en buiten ons, dat een in alles en alles in een is.

En de wijn, 'jajien', brengt die twee bijeen.

In deze beelden en symbolen klinkt dan de boodschap dat Jezus van Nazareth de wet en Thora heeft vervuld.

Hij heeft ze niet afgeschaft, maar tot volheid gebracht, aldus de evangelien.

Als een nieuwe Mozes bouwt Jezus voort op wet en Thora.

Wat verder bij het lezen van het Johannesverhaal opvalt is, dat de auteur ons niet verhaalt wie de bruid en bruidegom zijn.

Hun namen krijgen we niet te horen.

Die doen er kennelijk niet toe.

Of gaat het om reden van de boodschap niet eens zozeer om de invulling van bruid en bruidegom, maar dat wat zij vertegenwoordigen, een twee-eenheid.

Tot op de dag wordt er getrouwd.

Nog steeds hoor je mensen zeggen dat de dag van je huwelijk de mooiste dag van je leven is.

Zo'n opmerking roept overigens vragen op.

Het zou immers betekenen dat het leven vanaf de huwelijksdag er alleen maar minder op kan worden, terwijl het tegendeel waar is, of minstens waar zou moeten zijn.

Hoe het ook zij, bruiloft houden is feest vieren.

Het feit dat twee mensen elkaar gevonden hebben, dat zij openlijk een twee-eenheid willen vormen, dat zij er voor elkaar in voor- en tegenspoed willen zijn, mag gevierd worden.

Van alle personages in dit Johannesverhaal wordt overigens alleen Jezus met name genoemd.

Hij vervult de hoofdrol.

Zelfs zijn moeder, die toch een ware voortrekkersrol vervult, heet in het Johannesevangelie 'de moeder van Jezus', en niet 'Maria', zoals bij de overige evangelien.

In dit Johannesverhaal heeft de moeder van Jezus oog voor het tekort aan wijn en legt volgens de verteller het probleem in blind vertrouwen neer bij degene die het volgens haar kan oplossen.

Dat vertrouwen weet ze over te dragen op de dienaren, en - gezien het vervolg van het verhaal - ook op Jezus zelf.

Wie de gasten zijn, weten we niet.

Wel dat de discipelen van Jezus ook tot hen behoren, aldus de auteur.

De dienaren zijn in het verhaal gedwongen om nee te verkopen aan de gasten wanneer ze om wijn vragen, want de wijn is op.

Of de bruidegom van deze pijnlijke situatie op de hoogte is, wordt niet vermeld.

We mogen aannemen van niet, want nergens in het verhaal staat iets over zijn eventuele verwondering dat er nu opeens wat wijn is, zelfs in enorme hoeveelheden.

Maar liefst zes vaten van ieder twee of drie metreten.

Een metreet is circa veertig liter.

Het gaat daarom om minimaal vijfhonderd liter wijn.

Hoeveel gasten er ook zijn, er zal altijd wijn overblijven.

Er is dus wijn in overvloed; en wat voor wijn!

De tafelmeester kan er niet over uit.

Hij laat zelfs de bruidegom bij zich roepen.

In zijn ogen is dit de omgekeerde wereld: iedereen schenkt toch altijd eerst de beste wijn, en later, wanneer het er allemaal niet meer zo veel toe doet, wanneer de mensen eigenlijk al meer dan genoeg gedronken hebben, de mindere.

Maar zo'n goede wijn als deze heeft hij nog nooit geproefd; deze wijn overtreft alles.

Nu zou men van de tafelmeester als echter wijnkenner toch verwachten dat hij kan zeggen van welk chateau deze wijn is, of minstens waar hij vandaan komt.

Niets van dit alles.

Weer zo'n voorbeeld van de omgekeerde wereld, waarin alles anders is dan in de gewone wereld: 'de dienaren die het water hadden geschept, wisten het' (2,9).

En dus niet degene die het op grond van zijn functie dat hat moeten weten.

Ook hier hebben de woorden in het Johannesevangelie een dubbele bodem.

De wijn in dit verhaal is geen gewone, voor de kenner herkenbare wijn.

De auteur boodschapt ons dat het leven hier en nu al een feest mag zijn, zelfs behoort te zijn, en door de wijn (jajien) een leven (chajjiem) in overvloed.

Volgens de verteller veronderstelt dat ontvankelijkheid voor Jezus in wie het goddelijke zichtbaar is geworden. 

De bruiloft in Kana wordt door de verteller als eerste 'teken' van Jezus geschetst, dat ook hij door God gezonden is.

Evenals Mozes, ook aan hem werd daartoe het eerste 'teken' gegeven, als hij met het volk op dezelfde plek staat als waar het allemaal begon: bij de brandende braamstruik (Ex. 3,11-12).

Daartoe dient dit bijzondere 'wonderverhaal' in het Johannesevangelie.

Want met Jezus keert iets terug van de 'paradijselijke' glans, die het leven tot een wonder kan maken.

Daarom staat er: 'Hij openbaarde zijn glorie, zijn grootheid'.

In het Johannesverhaal liet Jezus even iets oplichten van de grond van de schepping, het geheim van het leven en het wezen van het goddelijke, dat een in alles en alles in een is.

Met veel waardering las ik het gedicht over de scheppingsdagen van ds. Broer, dat spreekt over de mens als 'het kroonwerk van de zesde dag'.

Maar dat staat niet in het scheppingsverhaal.

Sinds de Renaissance en opkomst van het humanisme, wordt de mens gaandeweg als kroon van de schepping gezien.

En de wereldgeschiedenis laat zien wat het resultaat daarvan is, vooral als het gaat om onze omgang met natuur en milieu.

Gelukkig eindigt het scheppingsverhaal niet met de mens op de zesde dag, maar met de sabbat op de zevende.

'Op de zevende dag werd het scheppingswerk van God voltooid.

Op de zevende dag rustte de Eeuwige van al het werk dat Hij gemaakt had.

En God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk. (Genesis 2,1b-3).

In de sabbat wordt dan ook bedoeling van de schepping zichtbaar.

Het gaat niet om zwoegen, maar om de levensbalans.

In het scheppingsverhaal gaat het niet om wetenschappelijke, maar om religieuze waarheid.

In de eerste gaat het om kennis, in de tweede om spirituele wijsheid.

Daarover schreef collega Suurmond in dagblad Trouw: 'Die twee moeten niet met elkaar verward worden.

Wie de Bijbel leest als een wetenschappelijke verhandeling is even raar bezig als iemand die vroom wiskundige formules prevelt.'

En hij vervolgde: 'Atheisten zeggen dat God overbodig is en daarin hebben ze groot gelijk.

God is niet nuttig, maar doel in zichzelf.

Zodra hij van een praktisch middel tot een doel wordt, is hij God niet meer (?)

Het leven is echter aangelegd op de nutteloze sabbat (christenen zeggen: de zondag (!)

Die wijsheid wringt zich in onze maatschappij die behekst is door nut en efficiency.

Mensen die niet scoren en presteren, zoals hoogbejaarden en gehandicapten, zijn profetische symbolen geworden.

Net als een stille zondagmiddag, roepen ze bij ons een ongemakkelijk gevoel op.

Ze herinneren ons eraan hoe vervreemd we zijn van onze bestemming.

We weten ons geen raad met nutteloosheid, met de ruimte van genade.

Winkelcentra als het Alexandrium in Rotterdam moeten op zondag geopend zijn, zodat we bezig kunnen blijven.

Ontroerend is dat mensen dan meestal voltrekt nutteloze dingen kopen.

De sabbat laat zich ook op koopzondag niet verloochenen.

Vorige week is de Veertigdagentijd aangebroken.

De Veertigdagentijd als een tijd van bezinning, van herbronning, van het loslaten van de ballast die zich in het gewone dagelijks bestaan aan ons opdringt.

Het is weer op zoek gaan naar de bron, naar het essentiƫle, naar onze levensbalans.

En hoe we omgaan met onze medemens, de natuur en milieu, ver weg en dichtbij.

In het besef dat het goddelijke, in en buiten ons, dat een in alles en alles in een is.

Het 'wonderverhaal' in het Johannesevangelie heeft een bijzondere boodschap en getuigt van spirituele wijsheid.

Dat die ons tot nadenken mag stemmen, zeker in deze Veertigdagentijd.

 

 

terug naar de vorige pagina