Prekenarchief
In vuur en vlam door de Geest
- zondag 23 mei 2010

Eerste Bijbellezing: gedeeltes uit Handelingen 1, 2 en 5.

Pinksteren: feest van wind en vuur

Pinksterfeest. Dat was een natuurfeest, een oogstfeest. Als de tarwe binnen was, vierden de joden feest en dankten God. Ze offerden dat wat tarwe-aren in de tempel. De meeste godsdienstige feesten zijn van oorsprong natuurfeesten. Dat komt omdat mensen meenden dat de natuur, het leven een mysterie was: dat jij en ik leven en de bloemen weer uitlopen; dat graan groeit waarvan je kunt eten. Het geheim van het leven.
De mensen vroegen zich af: hoe kan al dat leven er zijn? Dat kan niet vanzelf komen. Een goddelijke kracht moet ons bezielen: de planten, de dieren, de mensen. Die kracht noemt men 'de Geest van God'. Dat legde men al uit aan het begin van de bijbel, waar het gaat over de schepping van de mens, een symbolisch verhaal waar staat dat God de mens vormde uit het stof van de aarde en 'de levensadem in zijn neus blies'. Zo werd de mens tot een levend wezen.
Dus de mensen hadden het gevoel: we zijn aan de ene kant lichaam, materie, maar aan de andere kant: het leven in ons komt van God die ons als het ware adem geeft. En als je de laatste adem uitblaast, als je dood gaat, dan ga je weer naar God terug.
Dus de grondgedachte is: al het levende wordt blijkbaar bezield door een kracht die we niet uit ons zelf hebben, maar die ons een tijdje wordt toevertrouwd en die we weer afstaan als we dood gaan.
En dat komt allemaal voort uit de ene goddelijke bron van alles: de Geest van God.

 

Lezing:

Er was eens een klooster met nog maar vijf monniken. Ze waren oud en ze dachten: "Nog even en het is afgelopen met ons." Nou wist de abt dat in de buurt van het klooster een oude rabbi woonde. De abt en de rabbi waren vrienden. De abt ging naar de rabbi toe. Hij zei: "Rabbi, wat moet ik doen? We zijn nog maar met ons vijven, we zijn oud en binnenkort houdt ons klooster op te bestaan. Heb jij geen goede raad?" "Nee", zei de rabbi, "ik heb geen goede raad. Ik weet het ook niet. Het is bij ons precies hetzelfde. In de synagoge komt bijna niemand meer. En ik heb ook gehoord dat de kerken leeglopen. Het spijt me ontzettend, maar ik weet niet wat we daartegen kunnen doen."

De abt en de rabbi zaten bij elkaar, droevig, ze huilden wat en dronken een glas lekkere wijn.
"Kom, ik moet maar eens gaan", zei de abt. "En je weet het zeker, je hebt geen enkele raad?"
"Nee", zei de rabbi, "ik heb geen enkele raad. Maar er is een ding dat ik weet, en dat is, dat één van jullie de Messias is." U weet wel, Messias, de meest rechtvaardige mens, degene die redding zal brengen.
De abt zei de rabbi gedag, ging terug naar zijn klooster en de broeders zaten op hem te wachten. "Wat zei de rabbi, wat zei hij, weet hij hoe we ons klooster nieuw leven kunnen inblazen?" "Nee", zei de abt, "hij had geen raad. Hij zei alleen iets heel vreemds. Hij zei: één van jullie is de Messias. Meer zei hij niet. Eén van jullie is de Messias." De monniken vonden dat heel raar. De Messias, hier, één van ons vijven. Maar de gedachte liet hen niet los. Ze keken naar elkaar. Ze gingen denken over elkaar.
Zou broeder Eloy misschien de Messias zijn? Ach nee, hij loopt altijd zo druk te doen, je wordt helemaal zenuwachtig van hem. Maar ja, door hem loopt het hier nog steeds op rolletjes, ja, als je er goed over nadenkt: zonder hem zouden we allang zijn opgehouden te bestaan. Ja, misschien is broeder Eloy wel de Messias!
Of… zou broeder Pauli soms de Messias zijn? Ach nee, hij is altijd zo passief, je ziet hem nooit. Nee, dat kan niet. Maar ja, aan de andere kant… als je hem nodig hebt, dan is hij er altijd. Ja, broeder Pauli laat je nooit in de steek. Ja, misschien toch wel… misschien is broeder Pauli wel de Messias.
Of… zou broeder Francis soms de Messias zijn. Ach nee, eigenlijk is dat een vies mannetje. Hij verzorgt zichzelf niet eens goed, hoe kan hij dan de messias zijn? Maar ja, aan de andere kant… broeder Francis is altijd degene die in het bos de dode dieren begraaft en de zieke dieren met liefde opvangt en verzorgt. Ja… misschien toch wel… misschien is broeder Francis wel de Messias.

Of… zou broeder Gerard soms de Messias zijn?
Ach nee, hij kijkt altijd naar de grond, hij is zo in zichzelf gekeerd, hij heeft helemaal niet in de gaten wat er allemaal in ons klooster en in de wereld gebeurt. Maar… aan de andere kant… hij kan heel goed luisteren, hij heeft scherp ontwikkelde oren en hij hoort tussen de regels door wat iemand eigenlijk wil zeggen. Ja, het zou toch wel kunnen, broeder Gerard, hij hoort precies dat wat hij moet horen en dan kijkt hij je aan met zo'n blik vol liefde…. Ja, misschien is hij het wel, de Messias.
Of… zou de abt zelf de Messias zijn? Ach nee, hij is zo oud…. Maar ja, hij kan goed leiding geven, hij heeft zoveel levenservaring, hij weet wat iedereen nodig heeft en hij straalt zoveel rust uit… Ja, misschien toch wel…
Zo gingen de broeders elkaar met nieuwe ogen bekijken. Ze kenden elkaar al heel goed, maar toch ontdekten ze nieuwe dingen in elkaar doordat ze probeerden te ontdekken of de ander misschien de Messias was, een beter mens dan zij zelf, of God misschien met een van hun medebroeders iets heel bijzonders voor had.
Dit nu werd opgemerkt door het dorp of de stad bij het klooster. De mensen uit de omgeving gingen weer graag naar het klooster, ze gingen naar de mis, ze liepen door de kloostertuin. En ze zeiden: "Zie eens, hoe liefdevol en respectvol die broeders met elkaar omgaan. Wat heerlijk om bij hen in de buurt te zijn!" En de broeders werden blij van die nieuwe belangstelling, ze verwelkomden al die mensen hartelijk en het werd er echt heerlijk in het klooster. Het schijnt zelfs, dat er op een dag een jonge man was die wilde intreden. En nog één. En nog één. Omdat het er zó goed toeven was!

 

 

Lezing: Handelingen 1 en 2

4 Toen hij eens bij hen was, droeg hij hun op: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. 5 Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’ 6 Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ 7 Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. 8 Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’

9 Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. 10 Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. 11 Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’

12 Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand. 13 Toen ze in de stad waren aangekomen, gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus. 14 Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.

Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

 

Lezing: Handelingen 5

Het gemeenschappelijke bezit

32 De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. 33 De apostelen bleven met grote kracht getuigen van de opstanding van de Heer Jezus, en God begunstigde allen rijkelijk. 34 Niemand onder hen leed enig gebrek: wie een stuk grond of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen 35 en legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de gelovigen werd verdeeld.

36 Een van hen was Josef, een Leviet uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas had gekregen, wat in onze taal ‘zoon van de vertroosting’ betekent. 37 Hij bezat een akker, die hij verkocht, waarna hij het geld naar de apostelen bracht.

 

 

Pinksterpreek

In een christelijke gemeente wordt gelezen uit de bijbel. De bijbel is een dik boek. Afhankelijk van de lettergrootte en het papierformaat mag je toch op zeker zo’n 1800 bladzijdes rekenen. De typisch christelijke geschriften, waarvoor we de benaming ‘het Nieuwe Testament’ hebben bedacht, nemen daarvan maar zo’n 300 voor hun rekening, zeg maar een zesde deel. De verhalen over het leven van Jezus, de evangeliën beslaan minder dan 150 pagina’s. En die bepalen in hoofdzaak onze geloofsverhalen, wellicht met uitzondering van het eerste bijbelboek, Genesis.

Met Pinksteren gaat het niet meer over het leven van Jezus. Het verhaal over zijn zending gaat naadloos over in de opdracht die is komen te liggen bij zijn volgelingen. Hoe heeft de geest van Jezus, die de geest van God is, hoe heeft die doorgewerkt ? Daarover gaat het eerste bijbelboek na de evangeliën, ‘De handelingen van de apostelen’.  Daar heet het: Wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen tot aan de uiteinden van de aarde.’  Daar ligt dan ook de vraag voor vanmorgen:  heeft die Geest van God ook ons te pakken? Voelen wij kracht om de zaak van God, het rijk van vrede en recht, te dienen en in de wereld te zetten, ervan te getuigen. Of zijn we helemaal niet zo bevlogen? 

In een kleine 40 bladzijden lezen we in het boekje Handelingen over het ontstaan van de kerk, over de groei en bloei van de eerste christelijke gemeenschap. Handelingen beschrijft  de tijd van de kerk, de tijd dat de heilige Geest de stuwende kracht is.  Er zit vuur en vaart in de beweging van Jezus, er is enthousiasme. De geest van God zet steeds meer mensen in gang. Waarvan kan een mens in vuur en vlam gezet worden?  Dat moet iets zijn dat boven het gewone uitsteekt, dat je warm maakt en het leven een heel bijzondere betekenis geeft. Voor velen is dat voetballen. Je bent dan opgenomen in een gemeenschap van mensen die gaan voor hetzelfde, die zich verbonden voelen met elkaar en eenzelfde doel nastreven: de club kampioen. Het falen op school of op het werk doet er niet meer toe, want je bent sterk met elkaar en het succes van de club is ook jouw succes. De zaak van God heeft daarvan weg. Je bent opgenomen in een gemeenschap, waarin mensen op elkaar kunnen terugvallen en die samen streven naar hetzelfde doel: de komst van het koninkrijk Gods, het rijk van vrede en recht hier op deze aarde. Dat is een hooggestemd doel, iets om offers voor te brengen of eventueel voor te sterven.  Uit jezelf zal je daar niet zo toe komen, maar als je aangeblazen wordt door de Geest, in vuur en vlam gezet wordt door de Geest, ja dan ken je jezelf niet. Dan is het Pinksteren… Is dat ook niet wat wij hopen van een kerkelijke gemeente waar we lid van zijn, dat we daar aangezet worden tot een leven uit de geest, met meer geloof, hoop en liefde?

Het boek Handelen geeft een ideaal beeld als het zegt: ’Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. Ze vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed.’  Op een andere plek lezen we: ‘De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek. Wie een stuk grond of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen en legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de gelovigen werd verdeeld.’  Ja, zo zou het moeten zijn. Zo ben je kerk met overtuigingskracht. We weten dat de werkelijkheid altijd weerbarstiger is. Mensen en bewegingen met de meest fantastische idealen kunnen vervallen aan al te menselijk gedrag, ruzie, machtsstreven, corruptie, misbruik. De katholieke kerk is in een diepe crisis geraakt doordat de hoog gestelde morele lat niet haalbaar bleek voor de eigen vertegenwoordigers. 

Er is een spanning tussen ideaal en werkelijkheid. Het ideaal is dat de kerk de voorhoede is van Gods rijk van vrede en recht dat gaat komen. Kijk naar de kerk en je ziet hoe Gods toekomst er voor heel de aarde uitziet. Daar leven mensen al vanuit geloof, hoop en liefde. De werkelijkheid is dat de kerk maar al te vaak gewoon mensenwerk blijkt te zijn. Alle idealen ten spijt is er geruzie, zijn er grote ego’s, worden er eigen belangetjes nagestreefd. Het uitdragen van de boodschap van liefde en gerechtigheid en het zorg hebben voor medemens en schepping kan dan lelijk op de achtergrond raken.  Hetzelfde kom je tegen in politieke partijen en actiegroepen. Waar verwacht mag worden dat mensen zich dienstbaar maken aan het gezamenlijke ideaal, daar gebeurt soms het omgekeerde. Niet dat wat het grote doel dient is dan voor mij en voor de medeleden primair, maar dat ik gezien blijf worden, invloed houd, ja dat ik kan schitteren. Het ideaal wordt dan gebruikt als voermiddel om mijzelf te kunnen verwerkelijken, zelf een positie te bereiken, de belangrijkste te worden.  In kerken kunnen machtsspelletjes en conflicten in synodes, kerkenraden, bisschoppenconferenties het evangelie doen verbleken, niet in de laatste plaats voor de buitenwereld. Hoe heilzaam zou het zijn als oude geestelijke oefeningen hun plaats zouden terugwinnen. Het inoefenen van stilte, tijdens kerkdiensten, in het persoonlijk leven. Het gebed, waarbij je naar binnen kijkt en je eigen motieven onderzoekt en in verband brengt met  je relatie tot God. Het op geregelde tijden vasten, afzien van niet noodzakelijk voedsel, het niet toegeven aan de drang tot kopen en consumeren. Een mens kan zo komen tot dat wie hij of zij ten diepste bedoeld is, wie hij of zij echt is, tot wat er uiteindelijk echt toe doet.

Naast persoonlijke geldingsdrang is er  een ander gevaar dat het christelijk ideaal in gevaar kan brengen en dat is de gehechtheid aan bezit. Aan de ene kant omdat het comfort, de luxe je leven veraangenaamt; aan de andere kant omdat bezit je een gevoel van veiligheid geeft, je hoeft niet bang te zijn voor honger en ellende.  Bezit heeft te maken met de zorg voor  jezelf, voor een leven dat aangenaam is voor jezelf. Het brengt je weg van vertrouwen, dat je gerust je mag wijden aan belangrijke idealen omdat er voor je gezorgd zal worden, omdat je mag rekenen op God en medemensen. In de eerste gemeente is daarover een akelig verhaal, zo weten we uit het boek Handelingen. Een zekere Ananias was samen met zijn vrouw Saffira lid geworden van de christelijke gemeente en verkocht, zoals de bedoeling was, zijn bezit om de opbrengst ten goede te laten komen van de armen in de gemeente en buiten de gemeente.  Zo verkocht hij een stuk grond, maar hield toen puntje bij paaltje kwam een deel van de opbrengst achter. Zijn vrouw wist daarvan. De rest van het geld bracht hij naar de apostelen. Hypocriet. Doen alsof je gedreven wordt door het grote ideaal, maar daaraan niet kunnen voldoen en voorwenden dat het wel zo is. Petrus zegt dan tegen hem: Ananias, waarom heb je je door Satan laten misleiden en heb je de heilige geest bedrogen door een deel van de opbrengst van het stuk land achter te houden? Je had het immers niet hoeven te verkopen, en nu je het wel verkocht hebt, had je met de opbrengst toch kunnen doen wat je wilde? Wat heeft je bezield om je zo te gedragen? Niet de mensen heb je bedrogen, maar God zelf.’  Het bijbelse verhaal eindigt schokkend, want in de volgende zin wordt verteld: ‘Bij het horen van deze woorden viel Ananias neer en stierf, en iedereen wie dit ter ore kwam schrok hevig.’  Een dergelijke afloop van de vertelling lijkt mij pedagogisch en theologisch nogal dubieus. Het komt in de buurt van ‘God straft onmiddellijk’.  Belangrijker lijkt mij de waarschuwing voor het vast zitten aan je materiële zekerheden, het niet kunnen loslaten van de dingen.  Hoe komt het dat die zo belangrijk voor je zijn? Je ziel kan vol zijn van grote rijkdommen zoals liefde voor één of meer mensen in het bijzonder, of voor muziek of gedichten, of voor een ideaal waar je aan werkt, of voor de rijkdom van de natuur waar je steeds van geniet. Zo vol dat je belangstelling niet uitgaat naar de dingen, of daar toch niet in de eerste plaats op gericht is. Je ziel kan ook zo schraal, leeg zijn, zo zonder vertrouwen, dat uiterlijkheden en de verzekering van een gevulde bankrekening ook je leven kunnen opvullen.  Een werkelijk rijk mens als Gandhi bezat niets en dat gold ook voor Albert Schweitzer en anderen.

In hun  gevulde leven, waarin zij zoveel tot stand wisten te brengen voor de mensen om hen heen en ja voor de mensheid, lieten zij bewust ruimte voor stilte en heilige leegte. De geest van God kreeg de kans om vaardig over hen te worden. Als een wind waaide de geest door hun bestaan, als een vuur nam het bezit van  hen en ze werden er warme persoonlijkheden van, brandend van liefde en gedrevenheid.

Beste vrienden, het is Pinksteren. Onze kleine gemeente wordt uitgenodigd de ramen open te gooien, om de Gods wind te laten waaien en daarna ons naar buiten te richten, want de wereld is groot, de nood van medemens en schepping al evenzeer en er valt veel te doen. Wij zijn geroepen, wij zijn kerk en we zijn er om iets te doen. De bijbel heeft 1800 pagina’s, het Nieuwe Testament heeft er 600, de evangeliën nemen daarvan 150, maar de kern is samen te vatten in drie woorden: geloof, hoop en liefde. Na de zomer, met het nieuwe seizoen, zetten we in met een nieuw jaarthema, en dat heeft als titel ‘we zijn er om iets te doen’. Want alleen een geloofsgemeenschap die iets doet vanuit geloof, hoop en liefde, doet er toe. Met het eeuwenoude lied Veni Creator Spiritus, Kom Schepper Geest, bidden we:

Verlicht ons duistere verstand,

Geef dat ons hart van liefde brandt

En dat ons zwakke lichaam leeft

Vanuit de kracht die Gij het geeft.

Amen.     


terug naar de vorige pagina